de Pensioenwet: verplichtingen voor de werkgever

De Pensioenwet verplicht de werkgever zijn pensioenovereenkomst met de werknemer na te komen. Daarnaast geeft de wet, ter bescherming van de werknemer, voorschriften over de uitvoering van de pensioenregeling. Uitgangspunt van de Pensioenwet is dat pensioen een arbeidsvoorwaarde is.

op deze pagina

    pensioenuitvoerders

    Verder is in de Pensioenwet bepaald welke organisaties een pensioenregeling mogen uitvoeren: algemeen pensioenfondsen (APF), bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, bepaalde verzekeringsmaatschappijen en premiepensioeninstellingen (PPI’s). Deze instellingen zijn verplicht de werknemer ten minste eenmaal per jaar een opgave te verstrekken van het opgebouwde pensioen. De Pensioenwet moet werknemers en gepensioneerden zekerheid bieden over de (toekomstige) uitbetaling van hun pensioen. Daarvoor zijn eisen gesteld aan de financiële positie van de pensioenfondsen.

    Per 1 januari 2016 is een nieuw soort pensioenfonds ingevoerd: het algemeen pensioenfonds (APF). Dit pensioenfonds krijgt een plek naast de bestaande beroeps-, bedrijfstak- en ondernemingspensioenfondsen. Een APF mag meerdere pensioenregelingen voor verschillende werkgevers uitvoeren en is dus niet beperkt tot een bepaalde sector. Werkgevers in branches die vrij mogen kiezen voor een pensioenfonds, kunnen kiezen voor een APF. Voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen is aansluiting bij een APF nog niet mogelijk. 

    wettelijk recht op voorlichting en informatie over pensioen

    De Pensioenwet regelt een wettelijk recht op voorlichting over het pensioen van de pensioendeelnemers. Concreet betekent dit dat werkgevers en pensioenuitvoerders (pensioenfondsen en pensioenverzekeraars) verplicht zijn de werknemer te informeren over zijn pensioen.

    Daarnaast geldt de Wet Pensioencommunicatie. Het doel hiervan is dat de pensioendeelnemer:

    • weet hoeveel pensioen hij kan verwachten
    • kan nagaan of dat voldoende is
    • zich bewust is van de risico’s van de pensioenvoorziening

    Sinds 2016 kan een pensioenuitvoerder de communicatie met zijn deelnemers digitaal uitvoeren, tenzij de deelnemer hier bezwaar tegen maakt. In dat geval vindt de communicatie schriftelijk plaats.

    toetredingsleeftijd en wachttermijnen

    Aanvullende pensioenregelingen mogen geen toetredingsleeftijd hanteren van hoger dan 21 jaar. De maximale wachttermijn voor de opbouw van ouderdomspensioen in de Pensioenwet ligt op twee maanden. Voor uitzendkrachten is in de Pensioenwet een specifieke uitzondering gemaakt. In de pensioenovereenkomst mag voor hen een wachttermijn van maximaal 26 gewerkte weken worden opgenomen. Wachttijden zijn niet toegestaan voor het nabestaandenpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen.