pensioenvormen

Vlak voordat het pensioen ingaat, kan de pensioengerechtigde keuzes maken over het opgebouwde pensioen. De hoeveelheid en soort keuzes hangen af van de pensioenregeling. In veel pensioenregelingen is het mogelijk een deel van het ouderdomspensioen uit te ruilen voor extra partnerpensioen, of andersom. Ook kan iemand kiezen om eerder of later met pensioen te gaan, of alvast in deeltijd met pensioen te gaan.

op deze pagina

    In de meeste pensioenregelingen komen een of meer van de volgende pensioenvormen voor:

    • ouderdomspensioen
    • partnerpensioen
    • wezenpensioen
    • arbeidsongeschiktheidspensioen

    ouderdomspensioen

    Het ouderdomspensioen is de uitkering die de werknemer ontvangt vanaf zijn pensionering tot aan zijn overlijden. Het bestaat uit twee bronnen: de AOW en het werkgeverspensioen. De totale hoogte ervan is onder andere afhankelijk van het aantal pensioengevende jaren en van de regeling(en) die het werkgeverspensioen kent.

    De hoogte van het totale ouderdomspensioen kan daardoor per werknemer flink verschillen, nog afgezien van eventuele aanvullende voorzieningen in de privésfeer.

    partnerpensioen

    Het partnerpensioen is een verzamelnaam voor de pensioenen voor de achtergebleven partner. Het bedraagt meestal 70% van het ouderdomspensioen van de overleden partner. Als de werknemer voor zijn pensionering overlijdt, wordt het partnerpensioen gebruikelijk gebaseerd op het aantal dienstjaren dat bereikt had kunnen worden als de werknemer tot de pensioendatum had deelgenomen aan de pensioenregeling. Als er een partnerpensioen is, komt de huwelijkspartner (of degene die bij de burgerlijke stand als partner staat geregistreerd) daarvoor in elk geval in aanmerking. Als de werknemer ongehuwd samenwoont zonder registratie is dat niet altijd het geval, ook niet als er een samenlevingscontract is. De voorwaarden in het pensioenreglement bepalen welke eisen er gesteld worden aan samenwonende partners om in aanmerking te komen voor een partnerpensioen.

    wezenpensioen

    Dit is een inkomensvoorziening voor de kinderen van de werknemer. Het gaat vaak om een halfwezenpensioen, dan is er nog één ouder in leven. Zijn beide ouders of verzorgers overleden, dan krijgen de (dan) volle wezen meestal een dubbel wezenpensioen.

    Het wezenpensioen stopt meestal op 18- of 21-jarige leeftijd. Als het kind studeert of arbeidsongeschikt is, kan de uitkering langer doorlopen (uiterlijk tot het 27e jaar). De wezenuitkering bedraagt over het algemeen per kind 20% van het weduwe- of weduwnaarspensioen, dus zo’n 14% van het ouderdomspensioen.

    arbeidsongeschiktheidspensioen

    Het arbeidsongeschiktheidspensioen kan dienen als aanvulling op de WIA-uitkering. Het pensioen gaat meestal in bij ingang van de WIA (of voorheen WAO) en eindigt bij het bereiken van de pensioendatum. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wordt het pensioen slechts gedeeltelijk uitgekeerd. Daarnaast is vaak sprake van een premievrije voortzetting van de pensioenopbouw voor het deel dat men arbeidsongeschikt is verklaard.