boxenstelsel en schijventarief 2017

De inkomstenbelasting wordt geheven over bronnen van inkomen volgens het boxenstelsel. Er zijn drie boxen. Iedere box kent een eigen manier van belastingheffing. De inkomsten uit de verschillende boxen zijn niet onderling uitwisselbaar. Het is dan ook niet mogelijk om negatieve inkomsten van de ene box te compenseren met positieve inkomsten uit de andere box.

op deze pagina

    box 1: belastbaar inkomen uit werk en woning

    Box 1 bevat belastbaar inkomen uit werk en woning, te weten:

    • winst uit onderneming
    • loon, uitkering of pensioen
    • fooien en andere inkomsten
    • buitenlandse inkomsten
    • inkomsten als freelancer, gastouder, artiest of beroepssporter
    • periodieke uitkeringen (zoals lijfrente en alimentatie)
    • eigenwoningforfait
    • kapitaalverzekering eigen woning
    • negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (bijvoorbeeld terugontvangen lijfrentepremies)
    • negatieve persoonsgebonden aftrekposten

    Van deze inkomsten kan men bepaalde posten aftrekken. Het tarief voor box 1 is een oplopend tarief met vier schijven. De belasting over het inkomen in box 1 is hoger naarmate het inkomen hoger wordt; het maximale tarief is 52%.

    schijventarief box 1

    De belastingheffing over het inkomen uit werk en woning (box 1) kent een progressieve tariefstructuur met vier tarieven. De tarieven zijn telkens verbonden aan een deel van het inkomen, ook wel inkomensschijf genoemd. Alleen over de eerste twee schijven van het inkomen moet premie volksverzekeringen worden betaald. Vanaf de derde schijf is het maximum premieloon bereikt. Mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, hoeven over hun inkomsten geen AOW-premie af te dragen, waardoor het totaal van de premie volksverzekeringen voor hen lager is. Het tarief van de eerste twee schijven in box 1 is daarom voor hen ook lager. Over het deel van het inkomen dat boven de eerste twee schijven uitkomt, is alleen belasting verschuldigd. Het bedrag aan belasting wordt naar beneden afgerond op hele euro’s.

    tarief box 1 per 1 januari 2017

    tabel_online_werkpocket_tabel_schijventarief_inkomstenbelasting2017

    box 2: belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

    In box 2 wordt het inkomen uit aanmerkelijk belang belast: het inkomen van aandeelhouders in een vennootschap of coöperatie. Hierbij gaat het om mensen die een (direct of indirect) belang van ten minste 5% van de aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap bezitten of ten minste 5% van het stemrecht in een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag: het zogenoemde ‘aanmerkelijk belang’. Dit belang kan bestaan uit aandelen, opties op aandelen, winstbewijzen of stemrechten. De inkomsten (zoals dividenden) en voordelen uit aanmerkelijk belang zijn belast tegen een tarief van 25%.

    box 3: belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

    In box 3 wordt het inkomen uit sparen en beleggen belast. Dit noemt men de vermogensrendementsheffing. Deze heffing is onder andere van toepassing op onroerende zaken (met uitzondering van de als hoofdverblijf dienende eigen woning), aandelen, obligaties, spaartegoeden en lijfrente- en kapitaalverzekeringen die niet in box 1 vallen.

    Vanaf 2017 is de berekening van de belasting in box 3 gewijzigd. Er zijn drie schijven:

    • schijf 1: tot  € 75.000
    • schijf 2: van € 75.000 tot € 975.000
    • schijf 3: vanaf € 975.001

    Er zijn twee percentages waarmee het voordeel uit vermogen wordt berekend: 1,63% en 5,39%. Per schijf worden de percentages anders toegepast.

    tabel berekening voordeel uit vermogen vanaf 2017

    tabel_online_werkpocket_berekening-uit-eigen-vermogen_2017

    Fiscale partners mogen de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen verdelen op de meest voordelige manier.

    heffingsvrij vermogen

    De vermogensrendementsheffing is niet verschuldigd over het vermogen van € 25.000 per belastingplichtige. Voor wie heel 2017 voor fiscaal partnerschap kiest, is het vermogen € 50.000 voor de fiscale partners tezamen. Het is niet mogelijk een extra bedrag per minderjarig kind bij het vermogen (box 3) op te tellen.

    Tot en met 2016 werd het  inkomen uit sparen en beleggen  forfaitair vastgesteld op 4% van het vermogen op 1 januari van het betreffende jaar (bezittingen min schulden). Hierover werd een tarief van 30% berekend. Effectief kwam dit dus neer op een heffing van 1,2% van het vermogen verminderd met het heffingsvrije vermogen.