besparen op loonkosten

Voor onder meer jongere uitkeringsgerechtigden, oudere werknemers, werknemers die tijdelijk minder presteren en werknemers met een arbeidsbeperking heeft de overheid maatregelen getroffen om de loonkosten voor de werkgever te verlagen. Zo wordt het aantrekkelijker gemaakt om deze groepen werknemers in dienst te nemen.

op deze pagina

    Met de Subsidiecalculator kunt u berekenen hoeveel subsidie u kunt krijgen als u bepaalde werknemers in dienst neemt.

     

    premiekortingen

    Werkgevers kunnen een korting op de premies werknemersverzekeringen krijgen als zij een jongere uitkeringsgerechtigde in dienst nemen, een uitkeringsgerechtigde van 56 jaar of ouder of een werknemer met een arbeidsbeperking.

    jongere uitkeringsgerechtigde

    Werkgevers krijgen een premiekorting van € 3.500 per jaar als zij een werknemer op of ná 1 juli 2015 en vóór 1 januari 2016 in dienst hebben genomen, die uit een WW-uitkering of een uitkering op grond van de Participatiewet komt en in de leeftijd van 18 tot en met 26 jaar is. De dienstbetrekking moet worden aangegaan voor minimaal 32 uur per week en voor ten minste zes maanden. De premiekorting wordt maximaal twee jaar toegepast en uiterlijk tot en met 31 december 2017.

    werknemer van 56 jaar en ouder

    Werkgevers krijgen een premiekorting van € 7.000 per jaar voor het in dienst nemen van een werknemer van 56 jaar of ouder die direct voorafgaand aan de dienstbetrekking een WW-, bijstands- of arbeidsongeschiktheidsuitkering had. Ook voor Anw-uitkeringsgerechtigden die twee jaar niet hebben gewerkt, kan de werkgever een premiekorting krijgen. De werkgever krijgt deze korting zolang de dienstbetrekking bestaat, maar maximaal drie jaar.

    werknemer met een arbeidsbeperking

    Werkgevers krijgen een premiekorting van € 2.000 of € 7.000 per jaar voor het in dienst nemen van een werknemer met een arbeidsbeperking, afhankelijk van de doelgroep. De werkgever kan deze arbeidsgehandicaptenkorting toepassen zolang de dienstbetrekking bestaat, maar maximaal drie jaar.

    De werkgever mag de verschillende premiekortingen niet tegelijk toepassen. Als een werknemer recht heeft op zowel de arbeidsgehandicaptenkorting als de premiekorting voor het in dienst nemen van oudere werknemers, kan de werkgever alleen de arbeidsgehandicaptenkorting toepassen.

    premiekorting toepassen

    De werkgever kan de premiekorting zelf op de loonaangifte toepassen. Voor de premiekorting jongere werknemer en de premiekorting oudere werknemer moet de werkgever beschikken over een verklaring van het UWV of de gemeente waaruit blijkt dat de werknemer direct voordat hij in dienst trad, recht had op een uitkering (de zogenoemde doelgroepverklaring). Voor de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer is deze doelgroepverklaring nog niet verplicht.

    lage-inkomensvoordeel (LIV)

    Per 1 januari 2017 is het lage-inkomensvoordeel (LIV) ingevoerd. Hiermee is het voor werkgevers goedkoper geworden om werknemers met een laag inkomen in dienst te nemen en houden. Het LIV  is een tegemoetkoming voor werkgevers met werknemers met een loon tussen 100% en 125% van het wettelijk minimumloon. Voorwaarde voor het recht op het LIV is dat de werknemer ten minste 1.248 verloonde uren in het betreffende kalenderjaar moet hebben bij de werkgever.

    hoe werkt het LIV?

    De Belastingdienst keert de tegemoetkoming over 2017 op basis van gegevens van UWV in 2018 automatisch uit. De werkgever hoeft daar geen aanvraag voor in te dienen. Het LIV wordt in verhouding berekend op basis van het aantal verloonde uren per jaar.

    Op regelhulpenvoorbedrijven.nl kunt u eenvoudig controleren of u voor uw werknemer recht heeft op het lage-inkomensvoordeel. Met de digitale calculator kunt u de hoogte van de financiële tegemoetkomingen per werknemer berekenen.
    Er komt een nieuw systeem van loonkostenvoordelen (LKV’s), dat in het Wetsvoorstel tegemoetkomingen loondomein (Wtl) geregeld wordt. De LKV’s zijn de opvolgers van de huidige premiekortingen. Enkel de premiekorting jongere werknemer wordt niet vervangen. De LKV’s moeten het voor werkgevers aantrekkelijker maken om ouderen en mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. Naar verwachting gaan de LKV’s per 1 januari 2018 gelden. 

    tegemoetkoming verhoging minimumjeugdloon (jeugd-LIV)

    Werkgevers hebben per 1 januari 2018 recht op een tegemoetkoming voor jongere werknemers (voor 18- tot en met 21-jarigen) die binnen bepaalde bandbreedtes van het wettelijk minimum jeugdloon vallen: de tegemoetkoming verhoging minimumjeugdloon (jeugd-LIV). Deze tegemoetkoming is het eerste jaar de helft hoger dan normaal, om de periode tussen de inwerkingtreding op 1 juli 2017 tot en met 31 december 2017 te compenseren.

    Het jeugd-LIV betaalt de Belastingdienst automatisch aan de werkgever uit. Dit gebeurt in de tweede helft van 2019 op basis van gegevens van UWV.

    Voor werknemers van 22 jaar of ouder (en vanaf 1 juli 2019 van 21 jaar en ouder), die nu het volwassenenminimumloon gaan verdienen, geldt het lage-inkomensvoordeel.

    loonkostensubsidie

    Neemt de werkgever iemand aan uit de doelgroep van de banenafspraak en kan deze werknemer niet zelfstandig het minimumloon verdienen? Dan kan de werkgever een loonkostensubsidie krijgen via de gemeente. De loonkostensubsidie vergoedt het verschil tussen loonwaarde en minimumloon. De werkgever mag tegelijkertijd ook een premiekorting toepassen.

    premievrijstelling marginale arbeid

    Als de werkgever een uitkeringsgerechtigde in dienst neemt, kan de werkgever de Belastingdienst verzoeken hem voor die werknemer vrijstelling te verlenen voor de premies werknemersverzekeringen. De werkgever moet daarvoor onder andere aan de volgende voorwaarden voldoen:

    • hij neemt de uitkeringsgerechtigde in dienst voor niet meer dan zes aaneengesloten weken
    • hij heeft in het kalenderjaar niet eerder een dienstbetrekking met de uitkeringsgerechtigde gesloten
    • hij of een andere werkgever heeft voor de uitkeringsgerechtigde niet eerder in het kalenderjaar de premievrijstelling gekregen.

    Het premieloon van de werknemers voor wie hij de vrijstelling toepast, moet hij wel meenemen als premieloon in het collectieve deel van de aangifte. Het verzoek om de premievrijstelling moet vóór het einde van de dienstbetrekking bij de Belastingdienst worden ingediend. De premievrijstelling marginale arbeid komt per 1 januari 2018 te vervallen.

    afdrachtvermindering loonbelasting

    De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) geeft werkgevers recht op een lagere dan normale afdracht van loonbelasting/premie volksverzekeringen. De op het loon van werknemers in te houden loonheffingen veranderen niet. De afdrachtverminderingen komen dus geheel ten goede aan de werkgever.

    speur- en ontwikkelingswerk (S&O)

    Deze afdrachtvermindering wordt verleend voor werknemers die speur- en ontwikkelingswerk (S&O) verrichten. Het doel van deze regeling is werkgevers ertoe aan te zetten uitgaven ten gunste van technologisch onderzoek en ontwikkeling te verhogen. Omdat de loonkosten doorgaans de grootste kostenpost vormen bij S&O, worden deze gesubsidieerd. De afdrachtvermindering bedraagt per kalenderjaar 32% van de verwachte S&O-kosten en -uitgaven, maar maximaal € 350.000. Over het bedrag boven € 350.000 geldt een afdrachtvermindering van 16%. Voor bepaalde startende ondernemers bestaat een S&O-afdrachtvermindering van 40% (over de eerste € 350.000). Ook voor startende ondernemers geldt over het meerdere S&O-loon een percentage van 16%. Alleen het loon voor zover besteedt aan S&O-werkzaamheden komt voor afdrachtvermindering in aanmerking. Voor toepassing van de afdrachtvermindering S&O moet de werkgever over een zogenoemde S&O-verklaring beschikken. Deze verklaring wordt afgegeven door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)De RVO heeft ook een handleiding WBSO 2017 (pdf) ontwikkeld. Hierin staat uitgebreid omschreven wanneer een organisatie van de WBSO gebruik kan maken.

    zeevaart

    De afdrachtvermindering zeevaart kan worden toegepast als de werkgever loon betaalt aan zeevarenden die werken op een schip dat onder Nederlandse vlag vaart en dat grotendeels op zee wordt geëxploiteerd in het internationale verkeer en bij sleep- en hulpverlenings- of baggerwerkzaamheden. De afdrachtvermindering zeevaart bedraagt 40% van het loon van zeevarenden die in een EU- of een EER-land wonen. De aftrek bedraagt 10% als de zeevarende buiten de EU of EER woont. Voor deze zeevarende geldt de voorwaarde dat hij in Nederland aan de loonbelasting onderworpen is of dat hij premieplichtig is voor de volksverzekeringen.