auto van de zaak

De werkgever kan zijn werknemer een auto ter beschikking stellen. Dit blijft buiten de werkkostenregeling (WKR). Als de werknemer de auto meer dan 500 kilometer per kalenderjaar privé gebruikt, moet hij belasting betalen door middel van een bijtelling bij zijn loon.

op deze pagina

    bijtelling

    Bijtelling is het bedrag dat bij het loon wordt opgeteld als de ‘auto van de zaak’ privé wordt gebruikt. Voor het berekenen van de bijtelling gebruikt de werkgever de catalogusprijs als basis. De verantwoordelijkheid voor de juiste verwerking van de bijtelling ligt bij de werkgever. Van belang is bijvoorbeeld dat de cataloguswaarde van de betreffende auto juist wordt vastgesteld en dat het juiste bijtellingstarief wordt toegepast.

    De catalogusprijzen van auto’s die sinds 1 januari 2011 voor het eerst zijn geregistreerd, zijn te vinden in een online database van de RDW. Voor oudere auto’s kan men de historische prijslijsten van de officiële importeurs gebruiken.

     

    tarieven bijtelling

    Als een (normale) auto van de zaak voor meer dan 500 kilometer per jaar privé wordt gebruikt, geldt een bijtelling voor dat privégebruik van 22% van de waarde van de auto. Voor volledig elektrische auto’s kan de werknemer in aanmerking komen voor een verlaagde bijtelling van 4%.

    bijtelling in % van de cataloguswaarde, afhankelijk van de CO2-uitstoot

    Het aantal bijtellingspercentages is per 1 januari 2017 verminderd van vier naar twee. Voor een auto met een CO2-uitstoot van 106 gr/km of meer geldt per 1 januari 2017 de algemene bijtelling van 22%. Voor auto’s zonder CO2-uitstoot geldt de verlaagde bijtelling van 4%. Vanaf 2019 gaat de bijtelling van 4% gelden tot maximaal € 50.000 van de catalogusprijs. Voor bedragen daarboven geldt het dan geldende algemene bijtellingspercentage van 22%. Uitzondering hierop zijn auto’s die op waterstof rijden. Meer informatie over de wijzigingen in het systeem van autobelastingen vindt u op Rijksoverheid.nl (zoek op ‘wijzigingen autobelastingen’).

    hoe lang geldt het bijtellingspercentage?

    Het bijtellingspercentage voor auto’s geldt voor een periode van zestig maanden. Deze periode gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin voor het eerst een kenteken is afgegeven. Het percentage blijft ook gelden als de auto van eigenaar wisselt of als een andere werknemer de auto gaat gebruiken. Direct na afloop van de periode van zestig maanden wordt het percentage opnieuw vastgesteld aan de hand van de regels die op dat moment gelden.

    bewijslast bijtelling

    Als een werknemer aangeeft dat hij in het komende jaar niet meer dan 500 privékilometers zal rijden, kan de werkgever op grond hiervan de bijtelling achterwege laten. Maar de verantwoordelijkheid voor de juistheid hiervan ligt bij de werkgever. Met andere woorden: de bewijslast van het privégebruik ligt bij de werkgever. Als de ter beschikking gestelde auto ten onrechte niet of onjuist in de loonadministratie is vertoond, kan de werkgever rekenen op naheffingsaanslagen loonheffingen. Daarbij kunnen flinke boetes worden opgelegd.

    verklaring geen privégebruik auto

    De bewijslast kan echter worden verschoven naar de werknemer door middel van een ‘Verklaring geen privégebruik auto’. Als een werknemer verwacht dat hij niet meer dan 500 privékilometers op kalenderjaarbasis in een auto van de zaak rijdt, kan hij deze verklaring vooraf bij de Belastingdienst aanvragen en de afgegeven verklaring aan zijn werkgever overhandigen. Op basis van de afgegeven verklaring hoeft de werkgever dan geen loonheffingen meer in te houden en af te dragen over het privégebruik van de auto. De verklaring is voor onbepaalde tijd geldig.

    bestelauto’s

    Voor bestelauto’s hoeft er ook geen bijtelling op het loon plaats te vinden als aan een aantal voorwaarden is voldaan.
    Werknemers die een bestelauto van de zaak uitsluitend zakelijk gebruiken, kunnen gebruikmaken van de ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’. De werkgever hoeft dan geen bijtelling privégebruik auto bij het loon van de werknemer te tellen. Bovendien hoeft de werknemer geen rittenregistratie bij te houden.